Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

'T WITTE HUISKE.

't Lag er heel alleen aan den kronkelenden, groenen

achterweg, ver van 't dorp en van alle levende wezens.

't Bemoste rieten dak als een mutsje erover getrokken,

keek het aan den voorkant, met de twee raampjes aan

weerszijde van de deur, als een halverwege in de aarde

verzonken gezicht, over de kale weiden in de einde-

looze verte, waar slechts een enkel spits toornpuntje

opstak uit 't blauwe streepje tusschen aarde en lucht.

Links, onder den hoogen noteboom, stond het héél

kleine huisje, waar de varkens in woonden, die al 't

gras in de rondte hadden platgetrapt en stuk gewoeld

tot een grooten zwarten modderpoel; en rechts, ergens

achter de dichtbegroeide, donkere passen, waar hier en

daar de breede kruin van een appelboom bovenuit stak,

lag het dorp, waarheen Leneke en Bart, iederen dag,

met den griffelkoker in de hand en 't twaalfuurtje over

den schouder, naar school trokken.

Van verre gezien, van af den landweg, die alleen te

kennen was door een wagen of kar, die er zoo nu en

dan als een zwart stipje traag over de wijde vlakte 't Witte Huiske. 1 j

Sluiten