Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de oogen zich wendden en Leneke kon 't zich niet denken, dat 't hetzelfde geheimzinnige woud was van gisteren, die lange haag van frissche struiken, die daar zoo vroolijk glanzend in de morgenzon tegen de lucht stond afgeteekend. Ze schoten nu gauw de Zondagsche kleeren aan, die netjes over een stoel klaar lagen en gingen naar de keuken, waar vader bezig was 't scheermes aan te zetten en moeder, in haar onderlijfje, druk rondliep om al 't noodige te bezorgen, voor ze naar de kerk ging.

Ze aten hun boterham en keken onderwijl naar vader, die er zoo gek uitzag met zijn besneeuwd gezicht, dat hij in allerlei rare grimassen vertrok, terwijl 't griezelige blinkende mes er zonder snijden overheen kraste.

Moeder ging zich aankleeden en nu kwam ze terug als een vreemde dame, heel deftig in 't zwart, met 't schoudermanteltje en 't kapothoedje, waar overal trosjes van kraaltjes aan ritselden. Leneke kreeg 't kerkboek van den hoek van den schoorsteenmantel en ze brachten moeder weg tot aan 't hek van 't uitweggetje.

Ze wuifden haar nog een tijdlang achterna en dan keerden ze terug naar vader, die bezig was de laarzen aan te trekken. Leneke veegde hem langs de ongewoon blanke wangen om te voelen of ze nu heelemaal niet meer prikten en dan nam hij hen ieder aan een hand en ze gingen de gewone Zondagsche ronde doen.

Eerst bekeken ze de bloemen voor 't huis, aan weerszijden van 't mooi geharkte paadje, met de maagdepalmen er langs en dan gingen ze achter, naar de erwtenrijen, waar hier en daar al jonge bloesempjes als witte

't Witte Huiske. 2

Sluiten