Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De dingen rondom hen trokken weg in de opkomende duisternis, en 't was of ze daar niet meer gewoon op de bank voor 't huis zaten, maar ergens in een wondere tooverwereld. 't Was zoo mooi, zoo prachtig mooi, die langgerekte tonen, die daar in den avond wegzweefden; en toch hadden ze kunnen schreien tegelijk, van verdriet en van een naar, wee gevoel in den buik.

Aan den eenen kant van de harmonika knorde het zacht, met droevig geluid en uit den anderen kant, waar de glanzende rijen koperen knopjes zaten, kwam een zwerm van hooge, neuzige klankjes, die dansten en warrelden door elkaar. Dan opeens werd 't een gewoon wijsje van school, of zooals ze in de kerk zongen. Moeder neuriede zachtjes mee en dan begon Bart en dan Leneke en ze zongen al harder en als op 't laatst vader met zijn zware bromstem er ook bij kwam, klonk 't zoo vol en zoo treurig, daar over de eenzame velden, dat ze de tranen er van in de oogen kregen.

Ineens was 't dan uit en in de vreemde stilte, die er op volgde, bleef de naklank van hun eigen stem ze nog dwaas in de ooren tuiten.

Ze hoestten en spuwden om 't rare gevoel uit de keel weg te krijgen; vader schoof de harmonika weer in elkaar en ze moesten naar binnen.

Tegelijk was ook 't heele gevoel van den Zondag weg en als een nare zekerheid stond de nieuwe week van trieste werkdagen weer voor hen.

lederen morgen was het weer dezelfde lange weg, dien ze half slapend naast elkaar ten einde moesten loopen en de bekraste schoolbanken en overbekende

Sluiten