Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

er naast en aan den anderen kant was een groot gordijn gespannen. Telkens kwam daar een been of't achterste van een broek uitkijken en dan ging er een onderdrukt gelach door de rijen.

Onderwijl bleef de meester maar aldoor voortspreken, zoo maar, zonder een papier voor zich te hebben en niemand, die 't begreep waar hij 't vandaan haalde en hoe hij al die zinnen zoo kunstig achter elkaar zette.

Hij stond daar waardig met zijn grijze bakkebaarden en 't lange bleeke gezicht, net zoo als vroeger voor de klas en 't was of hij eeuwig daar zoo zou blijven staan praten en 't feest nooit beginnen zou. Eindelijk was 't uit en er ging een zucht op van verademing. Dan las hij een psalm voor en ze begonnen te zingen en 't was of ze allen weer schoolkinderen waren geworden en of de les nu zoo dadelijk zou aanvangen.

Maar nu stond Evert van den radmaker op, hoestte een paar maal dronk 't glas water leeg en begon met zware stem een gedicht voor te dragen. Evert was al jaren lang onder-president en hij zorgde er altijd voor, dat de jongeren er niet te veel gekheid van maakten. — — Luim mag t'r zijn, mar ze motte gin kunsten ophange; en ernst mot 'r ok zijn!....

't Was nu ook weer heel treurig; van een jongetje, dat eenzaam door de koude liep en 't huis niet kon vinden. Aan 't eind ging hij dood en Leneke voelde de tranen in de oogen komen als ze er aan dacht, wanneer Bart 't eens zou zijn geweest, die daar zoo hulpeloos rond liep, te dwalen en achterin de zaal zat een klein meisje hardop te snikken.

Sluiten