Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waren ze al bij de open plaats, waar ze samen zoo dikwijls hadden gezeten en naar den trein gekeken.

Leneke schrok op; daar ginds, onder aan de lijn stond een man 1.... Ze kreeg een kleur van plezier en drukte 't gezicht tegen 't koude glas, om beter te zien. — 't Was Bart.... Hij had gehoord, wanneer ze zou gaan en nu kwam hij haar voor 't laatst nog

toewuiven

Nu waren ze er vlak bij en ze wilde opstaan en wat roepen, misschien zou hij 't verstaan . •.. Maar dan zag ze, dat 't een baanwerker was, die, op zijn spade geleund, stond te kijken en haar lachend toeknikte. Ze vlogen er voorbij en nu lag 't alles achter haar, als de herinnering aan een wonderschoon sprookje, van twee kinderen, die spelend waren gegaan door de zonnige velden en bloempjes plukten langs 't water en niet wisten, dat 't zoo diep was en zoo koud. Nieuwe landerijen trokken aan haar oog voorbij en

dorpen, waar menschen woonden, die ze niet kende

en 't nieuwe leven lag daarachter, onkenbaar in de nevelige verte .... 't leven der groote menschen, die ernstig kijken en, zooals vader, moesten tobben over dingen, waar een ander niet naar vroeg en niet van wist. — De trein hield nu stil en ze stapten uit aan een groot station, waar 't vol was mef menschen, die anderen afhaalden of wegbrachten en druk lachten en praatten en elkaar toeriepen, als de trein weer in beweging ging.

Leneke stond daar angstig en alleen tusschen al die vreemde menschen en wachtte bp den dominé, die op een deftigen heer afgegaan was en met hem stond te

Sluiten