Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schreeuw uit, sprong haastig op zijn knikker af en begon, wijdbeens voorovergebogen, met de linkerhand op de knie geleund, te mikken.

Met een doffen tik sprong de glazen knikker op het bot af en huppelde, kleine bruine fonteintjes opspetterend, door de plassen, naar het vuile gras aan den overkant.

„Uitlegges!.... Onuitlegges!" schreeuwden ze bijna tegelijkertijd en schoten er opaf, vlak voorbij Wimke, die staroogend voortliep te soezen. Hij deinsde verschrikt opzij uit en bleef staan.

— Bè verdulleme!

— Oêwe .... daor hed-de Wimke! schreeuwden de jongens.

— Wimke Luts, die is wer zat,

— Die het te veul gepruuf' gehad!

Wimke dreigde met de vuist naar de jongens, maar dan kwam er opeens een goedige glimlach op zijn rood gezicht en hij stevende weer naar het modderpad, in 't midden van den weg: — Bliksemsche ape!

Aarzelend kwamen de jongens dichterbij:

— Hoe hiet ik Wimke?....

— Wie bin ikke Wimke?

Wimke schudde met 't hoofd:

— Bliksemsche jonges!....

Hij stond stil en trachtte zijn uitgegaan, afgebeten stukje sigaar weer aan te steken.

— Toe nou Wimke, hoe hiet ik nou?

— Neeje gullie hè mijn uitgescholde veur Luts;

da, steet oe gemein!

Sluiten