Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Hè toe, duu 't nou mar, dan zij-de 'n beste! zeurden de jongens door.

Wimke gooide den lucifer weg en vervolgens het eindje sigaar en dan trok hij met onvaste hand een van de jongens naar zich toe.

— Gij zijt Pietje van d'n bok

En 'k stop oe in het keujeshok!

— Hu! schreeuwde de bengel, dan motte me ers' vatte! en hij sprong met zijn klompen in een plas, dat 't vuile water naar alle kanten rondspatte.

— En ikke dan? vroeg de tweede.

— Gij gij hiet gij hiet:

Jantje met de spillebeen'

En gao nou as-te-blief mar heen!....

De jongens gierden 't uit van de pret; uit de vervallen, met riet bedekte hutten langs den weg, kwamen nog meer kleuters aanzetten en schreeuwden al uit de verte :

— Winke hoe hiet ik? en vroegen aan de andere wat hij gezegd had.

Een lange, magere, witharige jongen, de oogen diep liggend in 't smalle bleeke gezicht, trok Wimke aan de jas:

— Ge hè 'tmijn nog nie' gezeid! maar Wimke was al lang weer in gepeinzen verzonken en merkte niets van de joelende kinderen om hem heen.

Doelloos liep hij voort, met werktuigelijk stappen van zijn beenen, langs den weg, waarvan hij elke buiging en iedere oneffenheid kende en staarde voor zich uit, zonder iets te zien dan modder, kleverige, bruingrijze modder en goore waterplassen, overal.

Heel vanzelf kwamen uit zijn ouden, versleten kop

Sluiten