Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weer liep te soezen en alleen de magere, vlasharige jongen bleef nog steeds achter hem aan dwingen: Hè, toe nou Wimke, hoe hiet ik nou?

— Lilliken eierendief, hiette gij! snauwde Wimke hem toe; k hè 't lest wel gezien, hoe da' ge over 't hek van „d'n Ploeg" zijt gekrope um kiepèiere te striepse!

Even bleef de jongen bedremmeld met de armen langs t lijf, staan kijken, maar dan liep hij met een kwaadaardigen grijns achter hem om en gaf met de vlakke hand een klap tegen Wimke's pet, die een eind tollend door de lucht vloog, naar de helling van de sloot en dan langzaam naar beneden rolde, in 't vuile, met eendenkroos bedekte water.

Vervluukte snotneus! riep Wimke en liep den jongen na, die hoonlachend 't op een loopen zette, dwars over de wei, totdat hij achter den hoogen muur van het kerkhof verdween.

Vloekend en buiten adem, kwam Wimke na een poosje weer terug, de lange, spichtige, geelbruine haren door den wind tot een bosje op den kruin opgedreven, boven t purperroode hoofd. Met den eenen arm zich vasthoudend aan een knotwilg, waarvan koude waterdruppels neerregenden op zijn achterhoofd, boog hij zich kreunend voorover en haalde eindelijk de hooge, zwarte pet weer op, druipend van 't wateren vol kleverige, groene draden, die eraan bengelden. Hij sloeg ze een paar maal heen en weer, drukte ze dan vast, op 't gerimpelde voorhoofd en ging met langzamen, zwaren pas verder het dorp in.

Sluiten