Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De zon had zich diep in grauwe wolkensluiers gehuld en zonk langzaam weg achter het stompe kerktorentje, waar een paar kraaien, met den kop onder de verregende veeren, in een hoekje van de smalle raampjes wegdoken, 't Verroeste windhaantje draaide piepend rond op den guren oostenwind, die groote regendroppels opving uit de wolken en ze neerkletste tegen de kapotte ruitjes van de lage huisjes, die ordeloos verspreid stonden langs den verlaten weg.

Met tragen stap liep Wimke door den regen en de modder, maar aldoor, langs al die huisjes en tuintjes, die hij daar al zoo eeuwig had zien staan, onveranderd in hun armoedige oudheid, dat 't voor hem vage beelden waren geworden van dingen zonder beteekenis of leven, als de boomen langs den weg, die hij niet meer uit elkaar kende en niet meer zag.

Als kleine jongen, toen hij nog op school ging, toen had hij ze gekend en de menschen, die erin woonden, allemaal; toen was er leven geweest en waren er

jongens en meisjes, waar hij mee speelde en

moeders, die de deur uitkwamen om hen uit te schelden, wanneer ze wat kwaads deden en mannen, die naar hun werk gingen. Maar nu waren ze ingesoesd,gestorven,

net als zijn kop O! al zoo lang, zoo heel lang,

dat hij niet meer wist, wanneer 't begonnen was.

Ginder, daar achter die populieren, die, met het zwarte vlekje van een kraaien- of ekstersnest in het midden, als uitgerafelde pauweveertjes op een rijtje naast elkaar, tegen de lucht stonden, lag de hofstee, waar hij gewoond had, met moeder en vader en Pietje.

Sluiten