Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Waar de streep van de kale wilgenstompen wegdoezelt in grauwe duisternis, komt langzaam een rossig lichtje naderbij en werpt dansende lichtvlekken op den natglimmenden rug en de manen van 't dampende paard.

Met een ruk haalt de voerman de slappe teugels in en schreeuwt vloekend iets tegen Wimke, die uit zijn droomen opschrikt en naar den kant van den weg sukkelt.—

Al lang moest hij zoo geloopen hebben, altijd maar verder, zonder te weten waarheen, door den eindeloozen regen, die zijn kleeren doorweekte en den rand van de pet klam en warm op 't voorhoofd vastplakte.

Heel, heel enkel kwam 't weer terug de herinnering van al die dingen, die geleefd hadden en van dien Wimke, die hijzelf geweest was, en die toch een vreemde voor hem was nu — iemand, dien hij vroeger goed gekend en waar hij veel van gehouden had, omdat hij gedacht had en geleefd en niet dood was geweest, zooals alles en iedereen nu was, net als hijzelf.

En nu waren al die dingen weer aan 't wegvloeien en kwam dat wollige gevoel weer terug en vulde zijn hoofd op, tot 't hem voorkwam, dat 't heel groot werd,

veel grooter dan van andere menschen en zwaar

zoo verschrikkelijk zwaar!....

Hij beurde 't hoofd op en keek om zich heen en trachtte te begrijpen waar hij was. — Links lag de dijk, als een groote zwarte berg, die hem aan alle

kanten insloot en hem ging verstikken hij moest

eruit, uit die duisternis en dien regen, die maar aldoor zoo geheimzinnig neertikte op zijn natte pet en zijn kleeren

Sluiten