Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Langzaam, met onzekere stappen, sloeg Wïmke een smal voetpaadje in, dat schuin naar boven leidde, den dijk op. Plotseling gleed hij uit over de glibberige modder en schoot een eind naar beneden, in 't natte gras. Vloekend sloeg hij de nagels in de modder en trok zich hijgend weer op, maar dan gleed hij weer

uit eindelijk was hij boven, buiten adem, doornat

en vol vuil....

Als een groot meer lag de buiten haar oevers getreden rivier aan zijn voeten.

Heel ver, rechts, teekende de opkomende maan, een zwakke, doodsche lichtstreep op de regenwolken en wierp zwarte, deinende schaduwen over de kleine golfjes,

die zachtjes tegen den dijk spoelden Als een

groote arke lag, recht vooruit, de steenoven in die doodenzee, waar de knotwilgen hun knoestige koppen bovenuit staken, als grijnzende hoofden van verdronken menschen, met groote bossen dun, stijl haar op de kruin.

Door den regen flikkerde links het groene seinlichtje van de veerpont, als een smaragdsteentje op 't zwarte fluweel van 't donkere land daarachter, en aan den overkant bij de losplaats van de boot, ging zoekend een lantaarn heen en weer, in gele, kronkelende lichtlijntjes.

Als verre noodkreten klonk 't roepen van den veerman tegen een laten voetganger, aan de andere zijde, die

overgezet wilde worden dan 't rinkelen van den

ketting, die losgemaakt werd en toen was er geen geluid meer, dan 't zachte ruischen van den regen en 't klutsen der golfjes, onder tegen den dijk.

Sluiten