Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Die stemmen klonken daar zoo lang-galmend in de holle gelagkamer, soms een alleen, een heelen tijd achtereen, op denzelfden toon en dan plotseling door elkaar, als van veel menschen; en dan was het weer stil en hoorde men het tikken van de regendroppels tegen de luiken en het plassen van het water, dat door een lek in de

dakgoot buiten op de steenen liep

Hoe langer hoe verder klonken al die geluiden en

smolten ineen tot een eentonig gebrom en de

tabakswolken werden dikker en zwolgen alles op, de

menschen en de kachel en de geluiden

Toen Wimke wakker werd, stond Geurt bij hemen schudde hem bij den arm en zei, dat hij nu maar eens naar huis moest gaan, want 't was nu al bijna tien uur en de voerman was al weg: — Wach mar efkes, dan za'k de jong van me roepe,datie 'neind weegs mitoe meegeet, want 't is vremd a' ge ers' wer uit 't lich' zijt!

Maar Wimke zei, dat ie 't eiges wè' vijnde zauw en strompelde naar buiten.

Geurt trok de deur dicht en schoof de grendels er voor en nu stond Wimke weer alleen in de gure avondlucht en sukkelde den afweg op, bij 't licht, dat door de hartvormige gaten in 't luik naar buiten drong.

Binnen in de kroeg werd de lamp uitgedraaid en nu was alles donker. Alleen ver weg, hoog in de lucht, hing 't bleeke schijnsel van de maan achter een zwarte wolk en omzilverde de bogen van de spoorbrug en de zeilen van een schip, dat als een spookachtige nachtvlinder met uitgespreide vleugels over de eindelooze watervlakte zweefde.

Sluiten