Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Breed en donker lag de dijk, als de rug van een reusachtig slangenmonster, gekronkeld langs 't zwartblinkende water. De wind joeg er wild overheen, suisde langs de telegraafpalen en speelde flapperend met de jas van Wimke, die met de pet diep in de oogen, langzaam voortging door de modder. Met vlagen sloegen dikke regendruppels hem in 't gloeiende gezicht en dropen neer langs den hals en telkens pakten onzichtbare handen hem in de borst en op zij, en duwden hem naar den kant van den dijk. Maar met een ruk ging hij er tegenin en weer naar 't midden van den weg en hij had er pleizier in er zoo tegen te moeten vechten, want hij voelde zich sterk, als een jonge kerel.

Hij was trotsch op zichzelf, dat hij al die suffigheid uit zijn hoofd verjaagd had en 't stond hem onduidelijk voor den geest, dat hij iets verstandigs had gedaan.

— Göèd gedaon Wimke.... göèd opgepast!.... en mèrege, dan zü'-ve mekaore wer is in de hand slaon, ikken en Teunis; dartien en 'n half zal-tie d'r veur hebbe, veur de jonge keujes, en gin dubbeltje meer,.... gin dubbeltje!

— En as ze me dan wer 's wa' prizzentiere, um me zat te make en dan te bedondere, zooas toe mit dien zoeg, dan zèg 'k:

— Gif mijn mar 'n glöske kwas' juffrouw, zeg 'k

dan! Och minsch, och minsch, wa' zulle ze dan

vrimd kijke och minsch, och minsch!

Schor klonk zijn lachen weg in de duisternis even stond hij stil en dan liep hij weer met een vaartje vooruit.

Sluiten