Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar 't wrakke hout brak krakend stuk en met een zwakken, schorren kreet schoot hij voorover.... weg in 't koude water.

Even was 't een onrustige opspettering van metaalglanzende krulgolfjes, met zilversprankelende schuimbaarden, een breede opstuwing van zwart water naar beide kanten en dan sloot de donkere kuil zich weer dicht en de glimmende goltkammen gleden angstig weg van de vreemde woeling, daaronder in de diepte; in grooter wordende bogen, ver weg over de wijde watervlakte en tegen de helling van den dijk, waar ze klotsend en bruisend terugvielen.

Overal drong het koude water naar binnen, in den neus, in de ooren en in den mond; en 't werd zoo benauwd,.... zoo vreeselijk benauwd !.... En nu kwam die leelijke jongen er weer, die hem de pet afgeslagen had, en stompte hem op 't hoofd en op de borst, dat 't alles bonsde en dreunde. En dan greep hij hem bij den keel en schreeuwde hem vlak bij 't oor: — Wimke Luts die is wer zat,

Die het te veul gepruuf' gehad!....

Maar Wimke sloeg en schopte van zich af en nu zag hij 't lieve deerntje naar zich toe komen, waar hij zoo lang naar gezocht had; ze reikte hem de hand en hij greep die krampachtig vast en trok zich op naar boven tot hij weer steun onder zich voelde.

't Borrelde en roerde in 't water en aan den kant, bij de paaltjes van het halfverdronken hek, dook 't hoofd op van Wimke, de druipende haren vastgeplakt om zijn verwrongen gezicht.

Sluiten