Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij werkte zich, langs 't hek, tot schouderhoogte uit het water, tegen de helling op naar boven en staarde, met ontzet opengesperde oogen, verwilderd over de onmetelijke, donkere watervlakte

Leefde hij, of was hij dood? Hij wist 't niet en

't kon hem ook niet schelen 't Was hem alles onverschillig, want hij was er nu toch weer eenzaam en alleen, in die vreemde wereld van zwarte, droeve dingen

Anneke was weg, meegenomen door haar vader, en hij wist, dat 't zoo zijn moest, dat ze niet bij hem hoorde, bij den vuilen, verdierlijkten dronkaard, dien iedereen verafschuwde en die toch nooit beter kon worden

Dan lieten zijn handen het hek los en hij zonk weer terug in de diepte.... 't plonsde zachtjes; even nog een lichte borreling, die opwoelde naar de oppervlakte .... en dan gleden, kalm, de golfjes er weer over, hun langen weg naar de groote zee.

Sluiten