Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

't licht, dat door de reten van het luik scheen. Dan liep hij langzaam nog eens het dorp rond en ging weer naar huis en zat den verderen avond, rechtstandig in zijn leunstoel, uit het boek te studeeren, met zijn grooten wijsvinger de regels volgend. —

In onnoemelijke triestheid en eentonigheid ging het dorp den langen winterslaap in. — Zonder plezier of gebeurtenis was St. Nicolaas alweer voorbijgegaan. De armzalige uitstallingen van bontgekleurd suikergoed bij den bakker en van dwaze maskers en in de stad afgedankt, blikken en houten klungelspeelgoed, waren weer opgeborgen tot 't volgende jaar en nog altijd werd 't geen winter.

't Regende aldoor en de wind dreef rottende bladeren en schuimende, blinkende luchtblaasjes over 't vuilbruine water der boordevolle sloten, waar vunzige dampen uit opstegen in de koude, nevelige lucht. De zware bietenkarren hadden de wegen onbegaanbaar gemaakt en niemand, die nog de deur uit kwam, wanneer 't niet hoefde.

Jefke zat uren lang voor 't venster en tuurde mistroostig tusschen de verlepte geraniums door naar buiten. Natglimmend in 't groezelig schemerlicht lag de weg daar verlaten, als een lange, braakliggende akkerstrook. — Om den hoek kwam een kar, zwaar beladen met baksteenen. Een oude, afgewerkte knol, de buik grijs van modderspatten, trok met rukken en stooten den wagen door de diepe karsporen. De voerman, met een baalzak over 't hoofd en de schouders, ging er naast en knalde met de zweep, wanneer 't paard scheen te zullen stilstaan. Nu kwam het bij een diepen

Sluiten