Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Jefke zat in den grooten rieten stoel en keek toe, hoe Margriet met haar langzame, houterige bewegingen het gerei klaarzette voor 't avondeten.

Telkens en telkens kwamen al die herinneringen weer terug van de schaakavonden. — Hij zag Steven binnenkomen en hoorde zijn langzame zware stem over ,,'t vêurige pötje" praten en dan keek hij schuw naar 't bord, dat boven 't kastje aan een spijker hing en de stukken, die stoffig in 't sigarenkistje lagen. Maar hij wilde er niet aan denken, 't Was nu uit; voorgoed uit, en alle komende dagen lagen vóór hem als een hopelooze tijdverspilling niet waard om geleefd te worden.

Margriet keek zoo nu en dan naar hem op en schudde met 't hoofd. Ze had van alles geprobeerd om hem uit zijn doffe onverschilligheid op te wekken, maar niets hielp. — Van de lekkere grutjes, die ze gisteren expres voor hem gekookt had, had hij nauwelijks gegeten. De sigaren, die ze Zaterdagavond mee had gebracht, lagen nog net zoo in 't zakje op den schoorsteenmantel. Nu was er ook niets meer aan te doen! — Maar dan opeens kwam er een vastberaden trek op haar gezicht en ze stond op:

— Foei jong, wa' zit-te toch wer te suffe; 't is

nog schand! Nou; ge het tóch zekers nog gin

honger. Ik mot 'r nog efkes op uit; 'k zij over 'n

kërtiereke terug!

Toen ze terugkwam zag ze er opgeruimd uit. Ze praatte druk over alle mogelijke dingen, maar Jefke bleef verstrooid voor zich uit zitten staren en beet met trage tanden in de boterham.

Sluiten