Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

had vader voorspeld, maar 't was al gauw weer opgehouden. 's Nachts gierde de koude wind om de huizen en den volgenden morgen lag alles verstijfd en bevroren en nu waren ze ineens in 't hartje van den winter.

Jantje had alle dingen nog zoo duidelijk voor de oogen, zooals ze daar, vuil en glibberig-nat, maandenlang hadden gestaan in den eindeloos neerdruppelende regen, dat hij ze nu haast niet meer herkende en 't een mooi plaatje leek uit een kerstvertelling, 't zilverbepoeierde gras en die huisjes met hun witglinsterende daken en keurige rijtjes kristalkegels eraan, waar met blauwigen goudglans de middagzon in flonkerde.

De wegen alleen lagen effen donkergrijs, scherp afgeteekend, tusschen 't wit, alsof er geen vlokje sneeuw op neergevallen was en de wind joeg er het stof nu en dan in kleine dunne wolkjes omhoog. Tusschen de diepe karsporen van den hardgevroren uitweg lag 't ijs als plaatjes melkwit porcelein, die lekker knapten en kraakten, wanneer Jantje er den voet op zette en hier en daar spoot het vuilbruine water in gulpjes er onderuit.

Achter 't huis van den buurman was de vrouw bezig 't waschgoed binnen te halen, dat tot geelwitte koeken vastgebakken lag op 't gras van het bleekje. De hemden waren groote, geelwitte vogelverschrikkers geworden, met wijd uitgespreide armen; en overal waren op 't gras donkere afdrukken zichtbaar, met duidelijken vorm van broeken en kousen, of wat er gelegen had.

Hij kwam nu aan den straatweg en rechts vooruit, achter de diepe sloot, zag hij de hoofden der schaat-

Sluiten