Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

senrijdende kinderen voorbij den wit besneeuwden berm bewegen, terwijl de warme adem als lichtgrijze rookwolkjes in de koude lucht wegkringelde. Hij herkende er den vreemd gevormden hoed van Jetje en de hoog vooruitgestoken rechterhand van Pimmelke en de zwaaiende armen van Kees en nu was hij bij 't vondertje en deed de bontgekleurde bandjes uit den knoop. Hij sloeg de handen kloppend onder tegen de schouders, tot ze tintelden en dan ging hij op de knie liggen en bond de schaatsen aan de voeten.

't Broertje van Jetje scharrelde op heele kleine schaatsjes achter een keukenstoel; telkens viel het op de knieën en trok zich hijgend van inspanning met de verkleumde handjes weer bij de sporten overeind. Een paar anderen hadden slibberbaantjes gemaakt en slierden met uitgespreide armen van den eenen kant van de sloot naar den anderen. Maar die kinderen waren nog maar zoo klein en 't aankijken niet waard en Jan reed er trotsch tusschendoor naar de grooteren, die aan 't andere einde bij elkaar stonden.

Ze waren er nu weer, al dezelfden van gisteren: Jan en Pimmelke en Kees en Aorië en Driekske; en schele Jetje, die daar vreemd tusschen in stond, met haar lange rokken en wel tweemaal zoo groot was als de anderen.

Zij en Jan waren de beste rijders, en waar ze voorbij kwamen, gingen de anderen aan den kant in 't lisch staan om ze door te laten. Jan nam flinke slagen en zwaaide de beide armen bij iederen streek van den eenen kant naar den anderen. — Jetje schoot telkens, met een afzetje van 't linkerbeen, een heel

Sluiten