Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 't Is nie waor; da' duuj ik nie, da'duu'Kees!

Ze waren nu op streek en Jetje begon te zingen op

de maat:

— En veuruit mèt de kluit naar d'n oliekoekekraam, Al waor de mooie meisjes staan!...

en dan zongen ze allemaal mee. Met klepperende klompen liepen een paar kinderen over straat met hen mee en trachtten hen bij te houden en Jan keek triomfantelijk naar „d'n ouwen Ötje", 't petroleumkereltje, die er met zijn rammelend wagentje voorbijkwam.

Ze waren nu bijna aan 't eind en Jan kommandeerde „stoppen!" De kleintjes, die aan 't slibberen waren, vluchtten haastig naar de kanten; 't ijzer van de schaatsen kraste diepe sporen in het ijs en ze vielen neer, met de handen in de koude sneeuw van den berm en rolden schreeuwend en lachend over elkaar. Alleen Jetje zwierde met prachtigen draai om en stond dan pal stil, en keek verlegen, met haar schele oogen naar boven gedraaid, in de lucht. Ze stonden met roode gezichten te hijgen en in de koude handen te blazen en lachten om Pimmelke, die op één schaats kwam aanstrompelen en als hij vlak bij was, met een bons op zijn achterste viel.

Over den weg kwam, stootend en ratelend, een kar met gruis en ze keken naar den voerman, dien ze haast niet konden herkennen, zooals hij daar, vreemd-deftig, ernaast liep, met wollen wanten aan de handen en 't hoofd achterover, om onder den rand van zijn groote bontmuts uit te kunnen kijken.

Om den draai van den weg zagen ze een paar

't Witte Huiske. 10

Sluiten