Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kende spiegel, zoover ze konden zien. Ze hielden elkaar hand aan hand in een lange rij vast en Keesje moest 't het eerst probeeren, omdat hij de lichtste was.

Hij stampte erop met 't achtereind van zijn schaats, dat de blinkende schilfers eraf vlogen en dan ging hij aarzelend, voetje voor voetje, verder en keek angstig vóór zich naar beneden, waar 't water koud en donker onder hem lag, alsof 't maar een dun glazen vliesje was, waar hij over reed. Een eind verder begon 't opeens te kraken en hij keerde weerom, maar de anderen waren nu ook op 't ijs gekomen, en nu was 't er zóó vol dunne witte krasjes en dan was meteen 't gevoel van angst voorbij en reden ze onbezorgd heen en weer langs den boomgaard.

Maar 't begon Jan te vervelen, zich daar den heelen tijd half dood te moeten trekken, vóór aan den slinger van scharrelende en krabbelende kinderen, waar er toch niemand 't kon zien en hij stapte over 't schuins afloopende hekkentje, aan 't einde bij de doornenhaag en reed verder het veld in.

Aan alle kanten lag 't bouwland zonder boom of struikje, wit en vlak als een laken wijd uitgespreid voor zijn oogen. Aan den tegengestelden kant, vanwaar de wind was gekomen, stonden de droge, hardbevroren aardkluiten als driehoekige en vierkante, grijze vlekjes erop afgeteekend en de sloot en 't zwart van de lange rechte haag waren als boordels daaromheen gezet.

Achter hem lag 't dorp, waar de groepjes boomen en struiken als donkere takkenbosjes tegen het wit afstaken, en de lage huisjes met hun besneeuwde daken,

Sluiten