Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Geurt vertelde onderwijl, hoe plezierig 't er was. — Overal mooi ijs, zonder biezen erin—en soms kwam er een draaiorgel.... en alle deftige menschen reden er.... en zoo waren ze ongemerkt al op den veldweg gekomen.

Ze staken de breede laan over en gingen rechtaan op 't dichte bosch voor hen, dwars door het glanzend witte weiland, waar de molshoopen als zwarte moesjes op afgeteekend stonden. Rechts lag 't molentje, aan één kant wit besneeuwd en stak de vier bevroren armen wijd-uit in de lucht; en midden in de wei stond, op hooge staken, de groote duiventil, met 't aardige koepeldakje en de zwarte gaatjes, waarachter de duiven diep zaten weggekropen in hun warme hokjes. Ze gleden de sloot over en gingen 't rozenlaantje door, waar nu de struiken dor en naakt in de sneeuw stonden en dan hoorden ze 't heldere geklank van ijzer en nu zagen ze vóór zich, de smidse met de hooge boomen er omheen en 't kleine hoefstalletjes ernaast.

In 't warme, halfduistere hol, achter de kleine ruitjes, speelde de vuurgloed in vlammende tinten over 't gebaarde gezicht van den smid en zijn knecht, die daar als baarlijke duivels hun groote hamers in de sterke armen zwaaiden, dat de vonken, als vuurwerk in 't rond spatten.

De jongens waren nu in de laan, midden in 't bosch gekomen, waar 't donker was van de groote breede sparren, die er in dichte rij aan weerskanten omheen stonden en dan plotseling, om den hoek, lag 't machtige witte kasteel vóór hen.

Sluiten