Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vooruit kwamen en hij had 't zich heimelijk voorgesteld, hoe iedereen naar hem zou kijken en hoe ze elkaar zouden vragen, wie die kleine jongen was, die zoo hard reed, dat hij de grooteren zelfs achter zich liet; en nu vlogen ze met de handen op den rug langs hem heen en er was niemand, die op hem lette. Maar aan 't eind stonden Koos en Johan van den bakker en nog andere jongens, die hij kende en ze hadden er schik in, dat er nu weer een nieuwe bij was.

— We zijn nou 'n aorig klochje jongens bij mekaor, nou gaon-ve strak krijgertje speulen op d'n huisgrach'!

Temidden van het troepje jongens, dat zich aan de beide uiteinden van den vijver telkens weer vormde, voelde Jan 't vreemde en de onrust langzaam wegtrekken en hij herkreeg 't prettige gevoel, van een van de beste rijders te zijn onder zijns gelijken en nu keek hij bedaard rond naar de menschen, hoe ze reden en wie hij er van kende, en of er geen bij was, die 't thuis zou kunnen verklappen.

Ze waren er allemaal op z'n Zondags, in zwarte kleeren en met schoenen aan, en 't scheen of niemand had te werken, en 't feest was, zoolang het ijs er lag.

Heel gewone menschen, waar anders niemand ooit naar omkeek, waren nu plotseling personen van beteekenis geworden, waar de anderen zich gevleid voelden, wanneer ze er mee mochten praten en die nagekeken werden tot 't eind van de baan.

Zoo was er het groentenboereke, die met de handen in de zij, zich telkens met 't eene been een afzetje

Sluiten