Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En dan opeens zagen ze het, wit, door de boomen schemeren en waren ze op 't vijvertje aan den achterkant van het kasteel. Er waren daar alleen maar een paar kinderen, en 't ijs behoorde nu heelemaal aan hen.

Vooraan was een groote bijt gehakt, en daar zwommen vreemde, bontkleurige eenden in rond, of zaten er op de ijsblokken, die als dikke stukken lekkere borstplaat, er rondom heen lagen. Als een aartsvader in hun midden zat een groote, grijze gans, met sleepende vleugels en afgezakt achterste, die heftig begon te snateren, wanneer ze er dichterbij kwamen. Een klein eendje zat te bibberen met 't waaiervormige staartje en hield den kop vreemd verdraaid achter in de veeren op den rug, maar de anderen zwommen vroolijk rond in t zwarte, koud-blinkende water en niemand kon t begrijpen, dat ze het daarin uit konden houden.

De jongens stonden met plezier daar naar te kijken en naar de aardige, drietakkige indrukken, die de eenden in de sneeuw hadden gemaakt, zoodat 't precies te zien was hoe ze waren geloopen; maar dan hoorden ze een hond blaffen en ze reden gauw een eind er vandaan.

In de verte zagen ze den baron aankomen. — 't Hoofd achterover in den mooien dikken pelskraag, ging hij, zonder omkijken, over 't bruggetje en de kinderen volgden hem met de oogen, tot hij verdwenen was in 't groote geheimzinnige paleis, waar nooit een gewoon mensch over den drempel kwam en 't vol was van onbekende pracht en heerlijkheden, waar niemand zich zelfs maar een voorstelling van kon maken. Ze reden nu onder langs de machtige, schuins afloopende

Sluiten