Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

muren en loerden door de getraliede vensters, waarachter onkenbare dingen in 't spookachtige halfduister stonden en dan kregen ze opeens een heerlijken geur in den neus en ze zagen den warmen gezelligen gloed van den grooten fornuisoven in de keuken, waar meiden, met heldere mutsjes op, ijverig heen en weer liepen met rammelende borden en messen, en dampende schotels met allerlei vreemde spijzen op tafel stonden. De jongens bleven daar als geboeid voor de tralies staan kijken en wezen elkaar wat ze er zagen, maar dan kwam er opeens een knecht met gouden knoopen naar 't raam en ze maakten, dat ze wegkwamen.

— Aon gunne kant in da' huukske ligt de boot," zei Johan, da's 'n mooie stèi *) veur honk, dan kun've medeen 'n bietje uitruste!

Maar als ze den hoek om kwamen, zagen ze, met den rug naar hen toe, een jongen en een meisje, die dicht aaneengedrukt met de armen om elkaar heen, op den rand van 't vastgevroren bootje zaten.

— 'k Geleuf, dat die 't ok lillik koud hebbe, zei Jantje, da' se zöö dich' neve mekaore kruipe!

Maar Geurt, waar groote zusters aan huis waren, wist 't wel beter:

Zij-de gek jong, die zitte te vrèje, mar 'k zal ze

d'r wel afkrijge!

Hij reed weg en de anderen bleven naar de ruggen van die twee staan kijken, die zich zoo stijf tegen elkaar gedrukt hielden en verwonderden zich er over,

*) stèi = plaats.

Sluiten