Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de punt van zijn klomp op 't ijs. Maar de losse, witte ijsschilfers aan den kant kraakten stuk en hij trok angstig zijn been terug en ging 't verderop probeeren.

Hij stond nu op de sloot en keek tevreden rond en schuifelde langzaam, voetje voor voetje, op zijn klompjes, naar 't midden. Maar Jantje had 't gezien; dat gewurm begon hem te vervelen en hij reed er nijdig op af.

— Alloo gij snotneus!

Klompeboeren in de geut;

Schartserèjers bove!

't Kind wilde angstig vluchten maar het viel languit op 't gladde ijs en Jantje greep het bij zijn kleertjes en duwde het tegen 't besneeuwde gras op naar boven.

t Stond daar met diep-droevig gezicht en den vinger in den mond nog even te kijken en dan trok 't het gezicht in rimpels en liep schreiend weg.

Jantje ging met stevige slagen naar het eind, stak bij 't hek het land over en reed verder, zonder te luisteren naar de anderen, die hem riepen om vóór te rijden aan den slinger. Hij reed maar aldoor, zonder omkijken of uit te rusten, tot hij alleen was in de koude stilte van het doode winterland om hem heen en dan zette hij zich neer in de sneeuw en keek verlangend naar de zwarte lijn van het bosch in de verte, waarachter 't groote, mooie kasteel lag en Geurt en de anderen nu weer lustig rondreden over de breede baan, of krijgertje speelden bij "t vastgevroren bootje.

Sluiten