Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hènjevol uit en dan dërek wêêr de deur uit: „Hentje die mérkt 'r toch niks van, as ie daor mit die spullekes zit te knooie!" — Neeje, dan Aorië en Janse en 't grutste deil van de gewone èrebeiersminsche: altijd ers vragen, of wachte totda' ge 't ze aonreikt! —

Maar Hent maakte er zich nooit kwaad om en hij verkneukelde zich heimelijk in 't idee van schijnbaar te worden bedot en onderwijl de werkelijke bedoeling van hun manier van doen te doorgronden en de oppervlakkigheid van hun verstand bloot te zien liggen onder de geleerde woorden en den wijzen toon van hun gesprekken. Want onder hun doorzichtige listigheid en de dingen, die ze elkaar met gewichtig gezicht voorredeneerden, zonder er zelf aan te gelooven, zag hij den eerlijken éénvoud van hun ziel en de trouw waarmee ze elkaar aanhingen en de groote bewondering, die ze voelden voor het kunstige van zijn werk en de helderheid van zijn oordeel.

Dat schaftuurtje was voor hem het glanspunt geworden van den dag; de behandeling van alle belangrijke dingen, die hij opmerkte of overdacht gedurende den loop van den dag, stelde hij er voor uit en hij voelde er zich behagelijk en tevreden onder al die oude bekende gezichten en wei-bewust van hun hoogachting en bewondering, als een dominé te midden van zijn gemeente.

Alleen Arnt van den mulder kon hij niet uitstaan. Wanneer Hent hem langs 't raam zag komen, kneep hij de lippen nog wat vaster op elkaar, trok de wenkbrauwen dieper over de oogen en zat dan, zonder

Sluiten