Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

halverwege naar Heintje en opende den mond, met ingehouden adem, maar dan meteen scheen hij zich weer te bedenken en blies de lucht zachtjes uit, of deed alsof hij moest hoesten, 's Middags was 't in de werkplaats een gehamer en geklop, als in een smederij en dan hield het opeens op en kwam Hent bezweet en ongedurig het kamertje binnenloopen; maar dan veinsde hij iets te zoeken, of deed de een of andere onnoodige vraag en ging dadelijk weer weg. Heintje merkte dat vreemde doen wel, maar er was geen spier van zijn gezicht, die het verraadde en hij wachtte met een geheim gevoel van leedvermaak, uiterlijk bedaard, af, waar dat op uit zou loopen.

Dan op een avond zag hij vader in 't donker thuis komen met groote, ronde dingen onder een paar baaizakken op den kruiwagen en den volgenden morgen ging Hent al vóór den middag naar de werkplaats en klonk er een oorverdoovend gehamer en dan weer een vreemd, rollend geluid, en dan was 't een heelen tijd doodstil. — Dan weer het lawaai en weer een poos stilte; en nu kwam Hent binnen, met zwarte vegen over het nat-bezweette voorhoofd, de vuile handen met uitgespreide vingers van zich afhoudend.

Hij schraapte verlegen de keel en kwam dicht bij Heintje staan en dan stak hij den wijsvinger geheimzinnig in de hoogte:

— Ge mot is efkes mè me meekomme, dan za-'k oe is wa' laote kijke; maor ge mot me eerlijk, zuiver waor belove, da'ge d'r nooit mè' gin minsch over zult

praote Mè' gin minsch! heur-de!

't Witte Huiske. 13

Sluiten