Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar moeder had al tweemaal geroepen om te komen eten en nu trokken ze haastig de jas aan en gingen naar binnen. —

Na 't eten zaten ze weer vóór, op hun gewone plaats, ijverig knutselend aan de horloges, maar zoo gauw was de laatste bezoeker niet de deur uit, of ze legden het werk er bij neer en hervatten hun bezigheid in de werkplaats.

Hoe verder ze kwamen, hoe belangwekkender het werd en ze gunden zich nauwelijks den tijd, om te eten, om maar weer gauw aan het werk te kunnen gaan. 's Avonds konden ze het niet meer uithouden, stil en werkeloos in de keuken te zitten, maar lieten moeder onder een voorwendsel alleen en timmerden en hamerden verder, bij het flauwe schijnsel van de lamp, dat de voorbijgangers op straat verwonderd bleven stilstaan en zich afvroegen wat er nog zoo laat wel te doen mocht zijn bij den horlogemaker.

Wanneer Hent en Heintje eindelijk doodop, met gloeiende slapen en afgebeulde ledematen op bed lagen, dan soesden de hamerslagen hun nog na in de ooren, en ze staarden met wijd opengespalkte oogen in de duisternis en beeldden zich de toekomst uit, zooals die zou worden, wanneer de uitvinding klaar was.

— Eerst gingen ze rondtoeren in de plaats zelf en dan verderop, naar de omliggende dorpen en naar de stad en overal waar ze voorbij kwamen, bleven de menschen hen vol verbazing en ontzetting na staan kijken, zooals ze daar, zonder dier of mensch ervoor,

Sluiten