Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— En nou veuruit! De mijne steet bove; dus ik

ers' en dan gij! Hent beet de tanden op elkaar en

duwde de trapper met beide voeten naar beneden en de machine zette zich langzaam en krakend in beweging. Maar meteen bonkten ze met de schouders tegen elkaar.

— Toe nou jong, nou gij; ik hè 'm al umlêêg! Maar Heintje deed vergeefsche pogingen om weer rechtte komen.

— 't Gif niks, vad', ge hè 'm heelemaol scheif getrooie!

Ze stapten eraf en trachtten de wielen weer recht

te trekken, maar de as was bij de beide trappen doorgebogen tot bijna op den grond en ze moesten de in elkaar gezakte machine naar huis dragen.

— Afijn!.... in ins heelemaol in order, da, hoef'ok nie! zei Hent, maar innerlijk was plotseling als een knellende benauwdheid de twijfel in hem opgekomen of 't ooit wel heelemaal goed zou worden.

En dan nóg; al ging het, wie zou er dan ooit op zoo'n vreemde wagen willen zitten, met drie wielen, ten spot van alle menschen! — 't Leek hem nu ineens zoo dwaas en onmogelijk en hij was blij er met geen

mensch over te hebben gesproken Maar toch, het

idee was goed en 't zou jammer zijn alles voor niets te hebben gedaan, nu ze eenmaal al zoo ver waren.

Als er maar eens iemand was aan wien hij het kon laten zien; een geleerd mensch, die uit boeken had

gestudeerd! maar waar zou hij ooit zoo iemand

vinden !....

Maar nu op eens schoot het hem te binnen, dat er in de stad zulke menschen woonden, die de spoortreinen en andere machines maakten! —

Sluiten