Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Den volgenden dag stuurde Hent een briefkaart naar de courant met de vraag waar er iemand woonde, die verstand had van uitvindingen en nu voelde hij zich weer gerust en overlegde verder met Heintje hoe de fout te verhelpen zou zijn. Hoe ze 't ook bekeken, de as scheen nooit sterk genoeg gemaakt te kunnen worden om twee menschen te dragen en er zat niets anders op, dan er in 't midden nog een wiel tusschen in te zetten.

Met frisschen moed togen ze weer aan het werk en aan het eind van de week hadden ze het wiel tusschen de beide bankjes eraan en nu was 't zoo sterk: — dat 'r wel haörs 'n koei op zauw kunne zitte! zei Hent.

Maar nu was er alwéér een nieuwe moeielijkheid: alle menschen zouden kunnen zien hoe de machine gemaakt was en dan zou misschien een ander hun vóór zijn en ze de eer en het voordeel ontnemen.

— 'k Raoj, da' ve d'r mar 'n kiest um hen spijkere; dan meine ze dat 't'n hondekar is! vond Heintje.

't Was wel jammer, dat ze er dan zoo weinig eer mee in zouden leggen onderweg, maar 't zou noodig zijn:

— Want d'r lupt veul kwaod volk in de stad! zei Hent. En 't is 'n mërakel, hoe dat die minsche duk' verstand hebbe van dinger, daor se bij ons niks van af wëte! —

Zaterdags, toen de krant kwam, scheurde Hent met zenuwachtige vingers het bandje eraf en spreidde het blad voor zich uit op de tafel. Ze gingen haastig de kolommen na, tot ze bij „correspondentie" kwamen en daar stond het: De Heer Terwindt, ingenieur, zou u misschien inlichtingen kunnen verstrekken!

Sluiten