Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

over de deel, tot het donker werd en morgen dan

zou 't erover gaan: „dat de vónke d'r afvliege!" —

's Anderendaags heel in de vroegte, toen de huizen, nat van den mist, met gesloten vensteroogen nog nadommelden in de morgenschemering van het stille dorp, was het bij den horlogemaker al druk van inwendige geluiden en ongewone beweging.

Achter schemerde er licht door de vensterluiken van de keuken en daarbinnen knetterde het vuur in de fornuiskachel en stond moeder met slaperige oogen, het jak loshangend boven den blauw-wollen onderrok, water te pompen in den koperen ketel om koffie te zetten.

Hent stond in zijn overhemd voor het spiegeltje, met zenuwachtige vingers te peuteren om het halfhemdje dicht te krijgen en van boven klonk een dof stampen op den vloer, van Heintje, die bezig was zijn voeten in de schoenen te werken.

— Möëder hèd-de de pëtines veur mijn al opgezoch' ? vroeg Hent. 'k Mot 'r nog 'n paor beste hebbe van veur 'n jaor of vier, toe mit de begraffenis van Oome Djèrk!

Heintje was onderwijl binnen gekomen en de mannen zetten zich aan tafel en aten zwijgend, en met verstrooiden blik van de dikke boterhammen, met kaas ertusschen, die moeder voor hen had klaar gelegd. Maar ze voelden zich flauw en misselijk van het ongewoon vroege uur en door de gewichtigheid van den dag, die voor hen lag, en Hent liet het brood na een paar happen liggen en ging kijken wat moeder moest hebben, die boven aan de trap stond te roepen:

— Daor hè-de 't nou al, gij mit oew eigewijzigheid,

Sluiten