Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Ik gij ik gij! en nu kwam de

wagen langzaam in beweging.

De menschen weken uit elkaar en gaapten, stom van verbazing, met de oogen wijd opengesperd, naar die vreemde machine, die daar heel vanzelf, kalm en statig, met de twee mannen erop, wegreed. Maar dan opeens proesten ze het uit en lachten luidkeels, met vèr-open mond, om het gekke van de vertooning.

Ze schreeuwden en wenkten tegen de andere menschen, verderop, om hen opmerkzaam te maken op 't zonderlinge span, dat in aantocht was en riepen allerlei dwaze opmerkingen tegen Hent en Heintje, die, naast elkaar, met beurtelings opwippende ruggen, zonder omkijken verder reden, den langen rechten dorpsweg uit.

Uit de huizen in de buurt kwamen, aangetrokken door het rumoer, vrouwen in hun nachtjak aan de deur kijken en achter de gordijnen, met den neus tegen de ruiten, verschenen loerende koppen van halfaangekleede kinderen — Hent en Heintje in 't Zondagsche pak, boven op een groote, vreemde hondenwagen ; zóó iets raars was er in lang niet te zien geweest.

Voor het huis van den horlogemaker bleven de menschen in groepjes na staan praten en vertelden aan de anderen, dat ze 't zelf gezien hadden, hoe er in 't geheel geen honden onder liepen en moeder legde uit hoe het in elkaar zat, voorzoover ze het had begrepen, en dan vervolgden de arbeiders hoofdschuddend hun weg: — 't Is verbaösd, hoe da' se 't in de kop gekrëge hebbe!....

Sluiten