Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ze lieten den wagen langzaam uitloopen in het gras langs den kant van den weg en dan wipten ze, met de handen onder de dijen, de beenen in de hoogte over het rad en stonden in één sprong op den grond. Ze rekten zich de ledematen en stampten met de voeten, om het vreemde, trillende gevoel te verdrijven en Heintje ging nu de pakjes met brood losmaken, onderwijl dat Hent met de kippenveer geel-druipende olie tusschen de assen smeerde.

Dan beurden ze de jaspanden op en gingen op den uitgespreiden zakdoek in het gras zitten met den rug tegen den wagen en beten groote stukken uit de dubbele boterham. Om beurten reikten ze elkaar de melkflesch en dronken er uit met lange, kloekende teugen. En nu kwam de lust weer tot praten en ze lachten met vollen mond, wanneer ze zich de verbaasde gezichten weer voorstelden van de menschen uit het dorp, van morgen, toen ze weggingen.

— Och, och! — Hed-de Keesje van Wiel wè' gezien ? Die stond midden op den weg stil, toe ie ons zag, en de moei had ie 'n eind los, da-ge 'm haors deur de kèël hen kon kijke!

— En Geurt! die sting mar te roepe: Wa'hè-de

gullie daór nou veur 'n vrimde hondekar? Zö 'ne hè 'k d'r van m'n leve nou nog gin gezien!

Dan kwam het gesprek weer op het geld, dat ze ermee zouden verdienen en Hent overlei het geval, wat ze zouden vragen, wanneer die heer uit de stad den wagen soms zou willen koopen.

Maar Heintje voorzag, dat er dan niets van de fabriek

Sluiten