Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

achter in het wagentje rammelend door elkaar hotsten. Maar Hent en Heintje hielden hem bij, met nijdige duwen op de trappers, de tanden vast op elkaar gebeten.

Drieske stak zijn hoofd achterom buiten de huif en riep hun onverstaanbaar iets toe, en dan hoorden ze hem met het wilgentakje op de heupen van den hit kletsen en 't wagentje schoot vooruit met woeste rukken.

Hent en Heintje trapten als bezetenen, half opstaande nu bij iederen duw. De aderen zwollen hun in den purperrooden nek en ze bonkten hijgend neer op het bankje.

Ze zagen niets meer, dan het flodderende linnen vóór zich, opgebonden om den huifhoepel; als een oude-wijvenhoofddoek, van onderen samengerold tot een wrong, die tegen den achterkant van het karretje klopte.

Maar de afstand werd steeds grooter— ze strekten de beenen en rekten de spieren en dan opeens maakte de huif voor hen een draai naar links: ze zagen vlak voor zich de lucht, met de boomen ertegen, en de

sloot ze schreeuwden elkaar toe, rukten en wrongen

aan het stuur maar 't was al te laat en de wagen

vloog schuins vooruit, klom op tegen een boom en bleef met een doffen krak stilstaan, en nu lagen ze half over elkaar, met de beenen omhoog in het gat van den wagen, het hoofd achterover in het gras.

Ze scharrelden zich op handen en voeten overeind en betastten zich het lichaam. Heintje raapte zijn pet op en Hent liep hinkend rond te zoeken naar een van zijn pantoffels. Hij bukte zich om ze op te rapen en

Sluiten