Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

huizen bereikt hadden, die met hun scheef afloopende fundamenten halfverwege in de helling van den dijk geduwd schenen, dan voelden ze opeens de vrees in zich opkomen, voor de drukte van de stad en al die vreemde menschen, die hen van uit die dichtaaneengeschaarde huizen zouden naloeren.

Nu waren ze bij den afweg, die met een boog, recht het stadje invoerde en ze stegen weer af en duwden den wagen door de stille straat; Heintje erachter, en Hent vóór ernaast, met de eene hand het stuur vasthoudende.

— Witte gij waor dat dien heer woont? vroeg Heintje. Hent knikte met het hoofd en sloeg op goed geluk af een straat in om niet naar den weg te hoeven vragen, 't Werd hier al drukker, en ze moesten telkens uitwijken wanneer ze een kar of een wagen tegenkwamen in het nauwe straatje. De menschen keken lachend om naar den wonderlijken wagen, met de over den grond sleepende linnen strook er onder omheen, en de twee Zondagsche dorpsmenschen er naast.

Een gebogen, oud manneke bleef stilstaan op het trottoir, de bevende handen op zijn stok geleund en staarde hen na met gramstorig gezicht, totdat ze den hoek van de straat om waren; dan schudde hij diepzinnig zijn hoofd, mummelde iets in zichzelf en strompelde weer verder.

Een paar brutale meiden, die gearmd liepen te slenteren, vroegen of ze mee mochten rijden en nu en dan riep een opgeschoten jongen ze wat na, maar de kinderen waren nog op school en Hent en Heintje

Sluiten