Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en nu duwden ze gauw den wagen, een van de zijstraten in en overlegden wat nu te doen.

— En ik düüj 't nie mer!.... zei Hent kwaad, 't Is 'n akelig slag van minsche; da' volk uit de stad! Maar Heintje was al op een man afgegaan, met een band om de pet, die bezig was het vuil van de straat op te scheppen in een kruiwagen.

Hent zag hem staan redeneeren tegen Heintje, met drukke gebaren van zijn armen en hoe ze zamen opliepen tot den hoek van de straat. De man duidde hem met de schop de richting aan en maakte met de punt van zijn klomp een draaibeweging naar links en nu kwam Heintje weer terug:

— 't Is heelemaol gunte-wijd, efkes buite de stad en we motte d'n eigeste kant wêêr wêrum!

Ze gingen nu weer denzelfden weg terug en keken schuw om zich heen, of de menschen het niet aan hen zouden merken, dat ze voor niets hadden geloopen en het gek zouden vinden, dat ze daar nu alweer voorbij kwamen.

Aan het eind van de straat moesten ze nog een keer vragen, omdat Heintje het niet had willen laten blijken tegenover den arbeider, dat hij het niet heelemaal had begrepen.... en nu eindelijk waren ze er.

— Nou, nou! zei Hent, hij het de spulleke's

mooi in order, heur!....

Ze keken vol ontzag naar het groote heerenhuis, met de blinkende spiegelruiten en duwden den wagen over de ritselende keisteenen den tuin in.

Dan trok Hent aan de bel en ze wachtten met luid bonzend hart. —

Sluiten