Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

jongeheer; a' ge 't kepot treijt, dan kunne-ve d'r nie mêêr op thuiskomme!

Vóór het huis hoorden ze een hond blaffen en nu kwam er een zwarte, halfgeschoren poedel met dolle sprongen door de steenen op hen af, sprong uitgelaten op tegen Hent's mooie, zwarte jas en rende verder den tuin in.

De jongen liet zich van den wagen glijden:

— Daar heb je pa!.... riep hij en dan kwam hij even daarna druk pratende en wijzende weer terug met een flink gebouwden, jonguitzienden heer, met afhangenden, blonden knevel en scherpflikkerende oogen achter zijn lorgnet. Hij keek verwonderd-vragend naar den wagen en dan weer naar de beide zwartgekleede mannen met hun geelbruin haar, die verlegen met de pet in de hand stonden te draaien

— We hadden 'm mar is meegebroch,' m'nheer d'n

inzejeur, zei Hent eindelijk. Zie je, ik doch'!

alsdat zie je ! — maar hij bleef stotterend in zijn

woorden steken en nu voelde hij 't bloed weer naar zijn hoofd golven.

Hij kneep de vuisten samen en trachtte het terug te dringen.

— 'k Hè lach aon d'n heele kjerl! bromde hij in zijn binnenste, om zich moed te geven, maar de warmte bruiste op naar zijn nek, naar zijn slapen en hij stond daar nu sprakeloos en vuurrood als een kleine jongen, die op iets kwaads wordt betrapt.

Maar de ingenieur scheen daar niets van te merken. Hij was naar den wagen toegegaan en bekeek hem

Sluiten