Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hent was roerloos blijven zitten, als verstijfd in dezelfde houding.

Even was het bloed Heintje naar het hoofd gestegen, maar nu keek hij weer met zijn gewoon ernstig gezicht voor zich neer en peuterde werktuigelijk in het werk van een horloge.

Maar in zijn binnenste joegen de gedachten vreemd en wild door elkaar, steeds weer terugkeerende op die eene voorstelling, die hem rust noch duur liet.

— Overal zag hij ze, die duivelsche meid met haar lachende oogen en het helderwitte mutsje op de

ondeugende, zwarte krulletjes: zooals ze daar in

de deur had gestaan, toen ze hun openmaakte

dan weer, zooals ze bovenop den bolderwagen zat, of vlug eraf springend en schaterend van 't lachen wegliep naar de keuken. —

Duidelijk stond ze daar vóór hem; de zachtgeronde lijnen van haar lenig, jong lichaam scherp afgetee-

kend tegen de lucht 't Maakte hem verlegen en

ongedurig, den heelen tijd dat beeld voor zich te hebben van die vreemde stadsmeid, die hij niet kende en die hem niets kon schelen; hij zou nu aan iets anders denken! Maar 't hielp wat, of hij al over zijn oogen wreef!.... of hij zich al dwong tot de voorstelling van het uitzien van moeder, of van iemand anders in het dorp; altijd weer veranderden de trekken en de gestalte, tot het weer Marie was. —

Marie, zooals ze naar hem stond te kijken, toen vader met den ingenieur aan 't praten was— Marie, hen nawuivende bij het hek .... overal zag hij haar

Sluiten