Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tusschen het bewegen van zijn vingers, terwijl hij werkte aan het horloge; vóór zich op tafel, of wanneer hij opkeek uit 't raam; 't was om razend te worden.

De heele bolderwagen en de uitvindingen en 't geklets van de menschen, 't kon hem allemaal geen steek meer schelen; al zijn gedachten werden opgeslorpt en omgewerkt, door die raadselachtige, nieuwe gewaarwording, die hij in zich voelde aangroeien tot een onverklaarbare, kwellende onrust. In hem kriewelde het, en onweerstaanbaar bekroop hem de vreemde drang, om iets héél geks te doen. Hij stelde het zich voor, hoe hij opeens op zou staan, de kruk achter zich uit schoppen en dan:

— Véüruit mit de klungels! Eerst de horloges, een voor een door de ruiten, dat de scherven, over de straat rinkelden ;... dan de klokken met hun eeuwig getik, allemaal voor den grond en in elkaar getrapt, tot er geen stuk meer van heel was, en dan, onverschillig fluitend, met de handen in den zak, naar buiten, in de frissche lentelucht!

Maar uiterlijk werkte hij rustig door, en 's middags met het schaftuur, toen de menschen kwamen, zaten Hent en Heintje, een beetje bleeker dan anders, maar kalm en ernstig als altijd, met ondoorgrondelijk gezicht aan hun bezigheid, te midden van het rustelooze getiktak der geheimzinnige wezentjes, die er werkten, ieder voor zich, in de verborgenheid hunner huisjes.

Sluiten