Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toen Karei van Gelder in 1527 liet beleg sloeg voor Deventer, wierp liij aan de overzijde van den IJsel twee blokhuizen op, welke moesten dienen om den IJsel te bestrijken en de stad te beschieten. Het eene blokhuis werd „Al te na" het andere „Kijk in de pot" gedoopt. Toen deze blokhuizen in 1528 verlaten werden, trokken de poorters naar buiten, om ze zoo spoedig mogelijk af te breken en ilaar de stad te vervoeren, alwaar de steenen bestemd werden tot het bouwen eener waag.

Niet overbodig is het hierbij mede te deelen, dat deze steenen eens een deel hebben uitgemaakt van liet kasteel Nijenbeek, dat hierna in onze wandeling „Over Wilp en de Poll naar Twello" wordt beschreven.

Ge ziet aan de eene zijde sterren en een hoofd dat in een pot kijkt. Blijkbaar hebben de poorters deze aangebracht als zinspelingen op de beide blokhuizen, waarvan het eene ook Sterrenschans werd genoemd; de ledige consoles, die ge aan beide zijden van de Waag vindt werden vroeger ingenomen door voorstellingen, welke op Karei van Gelre en de Gelderschen betrekking hadden en dienden om ze in een bespottelijk daglicht te stellen. Waarschijnlijk zijn deze beeldjes later om des vredeswille weggenomen.

Terzijde van het gebouw vindt ge naast het telegraafkantoor een steen met inscriptie waarop ge leest dat: In 't jaer ons heren MD en de XXVIII Op Sunte Mariendach Wherd den ersten sten van deze Waghe gelacht.

1528.

Geeft de voorstelling aan de eene zijde van het gebouw nog steeds de getuigenis van den spotzieken zin der Deventenaren, aan de andere zijde hangt een voorwerp, dat ons de barbaarschheid van vroegere eeuwen in herinnering brengt.

Het is de groote koperen ketel, die blijkbaar van zeer lioogen ouderdom is.

Zoolang de heugenis reikt heeft deze daar zijne plaats gehad (hoewel het beter in een geschiedkundig museum zijne plaats kon vinden) en elk voorbijganger dien hij noodwendig in het oog moet vallen vraagt zich onwillekeurig af: zou daaraan eene geschiedenis verbonden zijn. Vraagt hij zulks aan een der omstanders dan weet deze te vertellen, dat «euwen geleden daarin een valsche munter werd gekookt.

Moge deze mededeeling berusten op eene overlevering, die zich van geslachte tot geslachte heeft voortgeplant en waarvan niemand eenig geschiedkundig bewijs kan bijbrengen, toch schijnt deze overlevering niet zonder grond.

Sluiten