Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Reeds bij den eersten val was de sneeuw tot drie a vier voet gestegen. Zoowel beneden in het dal als langs den Oberen en Unteren Waldweg waren de wegen gebaand, waarlangs de lijders zich, als 't weer het maar eenigszins toeliet, door elkander bewogen. Op den Oberen Waldweg, die naar den Schatzalp leidde, wandelden velen bij voorkeur 's morgens onder 't genot van de muziek der Curcapelle, langzaam voetje voor voetje stijgend. Dan was er ook geen rustbank onbezet.

In dien tijd kwamen er zelden nieuwe gasten. De koetsier van Strela gaf dan ook 's avonds slechts bij uitzondering met zijn zweep het teeken, dat hij vreemdelingen aanbracht, als hij met het vurig ros voor de slede van beneden kwam, waar hij de aankomst van den postwagen had afgewacht. Naar nieuwelingen werd ook niet meer verlangd, zooveel te meer, naar brieven.

Eens op een avond echter, 't was ongeveer vier weken na Lilia "s komst knalde hij op voor den hotelhouder zoo welluidende wijze. De gasten, die het sein ook verstonden, wisten dat er weer iemand aangekomen was. Wie hij zijn mocht? Onverschillig was het hun niet, wie in hun betrekkelijk kleinen kring voor den langen winter zou worden opgenomen, te minder hoe meer hun kring het karakter kreeg van een vriendschappelijk, gesloten gezelschap. Het was een voordeel van het betrekkelijk klein aantal gasten, dat ze elkander spoediger en meer van nabij leerden kennen en zich huiselijker inrichtten dan in een groot hotel mogelijk was. Hun hotelleven begon inderdaad iets te gelijken op een familieleven. Allen waren lijders en allen leden met elkaar, vooral als een van de hunnen den ouden heer

Sluiten