Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

III.

Plots doemde een zwart gevaarte naast haar op, en onttrok eensklaps haar broertje aan hare blikken. . .

Een zachte kreet, een schokken in de

wielen De man op den bok keek even opzij,

vloekte over die „schooierskinderen", gaf het paard een slag met de zweep, en voorthollend even onhoorbaar als hij gekomen was, verwijderde zich de zwarte

klomp

Zij zocht hem

Niets ontwaarde ze

Een zacht kreunen bracht haar op de hoogte der

droeve werkelijkheid Zij stortte naast hem

neder, ze vroeg hem; ze wist zelf niet wat.

't Was of haar denken zich van haar losrukte. Met betraande oogen lag ze op de knieën naast hem, droef, .... gedachteloos de zich verwijderende zwarte massa nastarend, die al flauwer en flauwer werd, af en toe onder eene lantaarn weer te voorschijn komend uit den donkeren nacht.

Zij kreeg een lust het na te ijlen,

doch machteloos zonk ze terug

Het kreunen naast haar deed haar naar het kleine

beweginglooze lichaampje zien

Zij nam hem in haar armen, doch 't gekreun werd

erger Ze liet hem los, uit vrees hem zeer

te doen 't Geluid verflauwde

Ze riep hem bij zijn naam, dringend, smeekend . . . .

Sluiten