Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schuurd en met wit zand bestrooid. Ik klopte op een der tafels en maakte, toen er niemand kwam, de rondte langs de wanden, waar in acht tafereelen de geschiedenis van den verloren zoon was afgebeeld.

Ten laatste nam ik plaats op een bank. Boven mijn hoofd hing een bakje s m e 1 e n '), en in een hoek stond de gaam') met de glazen.

Na een poosje liet ik het gebruikelijke „Köm-insveur, estebleef!" weerklinken en daarna verscheen de bazin, die mij vriendelijk „eine gooien daag" wenschte, en vroeg „waat zal uch b'leeve?"

Ik bestelde en kreeg een groot glas eigengebrouwen heerlijk bier, en betaalde daarvoor de enorme som van vier centen. Na een praatje over het weer, het hooi en het vee, vroeg ik waar Hanspeerke woonde en wist weldra dat ik eerst dezen weg verder moest volgen, bij den molen door het veld rechts afslaan tot ik den grintweg kruiste, dezen volgen linksaf, en dan zou ik in' 't laatste huisje aan de linkerhand Hanspeerke vinden.

Verdere vragen brachten aan het licht dat hij de zoon van een onderwijzer, knap timmerman was, veel werk had, geheel alleen woonde, nooit vreemde hulp nam maar alles zelf bezorgde, dat hij zoo zonderling, zoo „krek minseschoe"3) was geworden door eene ongelukkige liefde, dat hij meer wilde weten als elk ander, verdacht werd naar de eeuwige beweging te zoeken, en dat het „eine gierebas" 4) en „eine penning-

1) Zaadstengels van heidegras, gebruikt om pijpen door te steken.

2) Toonbank.

3) Net menschenschuw.

4) Gierigaard.

Sluiten