Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Voor mijzelf zou ik het u niet hebben gevraagd, maar het is voor anderen, en daarom ook durf ik u mijne geschiedenis te verhalen, die tot nu toe alleen aan „meneer Peschtoor" bekend is. Beloof mij te zullen zwijgen, ten minste zoolang ik leef, en doe er uw voordeel mee, want gij zijt nog betrekkelijk jong."

Ziehier dan, zoo goed en kwaad als 't gaat, zijne geschiedenis.

Hanspeerke was vooraan in de twintig, toen hij verliefd raakte op een meisje uit een naburig dorp — Triidje2) heette ze — en van haar vader, die een heel klein boerderijtje had, de belofte kreeg te mogen trouwen zoodra hij honderd daalder 3) gespaard zou hebben.

Hij verdiende toen niet veel, en van óverleggen kwam, och! zoo weinig. Had hij wat bijeen, dan kwam er weer naamdag, paschen of pinksteren, een sinterklaas of nieuwjaar tusschen, en de kermis in het dorp evenals die in de stad maakten ook steeds groote gapingen in zijn spaarpot. Dat had zoo een paar jaren geduurd, en telkens als hij bij den „halfer"4) aanklopte en hem polste over de trouwkwestie, gaf de onvermurwbare man ten antwoord:

„Zuug des-te bao5) dien hóngerd daalder bie-ein

1) Pastoor.

2) Van Geertruid.

3) 180 gulden.

4) Pachtboer.

5) Zie dat-je weldra.

Sluiten