Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op, dat hij gered kon zijn met wat de kerk niet eens zou missen. Hoe langer het duurde en hoe vaker dat idee terugkeerde in zijn hoofd, zooveel minder erg scheen hem het misdrijf toe. Ten laatste overtuigde hij zichzelf dat het geld, tot het lenigen van behoeften gegeven, bij hem zeer goed aan dat doel zou beantwoorden, en elk bezwaar zwichtte voor de overweging, dat het eigenlijk toch maar leenen was, want na het trouwen zou hij het zeker weer aan de kerk teruggeven.

Zoo was zachtjes aan Trüdjes naamdag gekomen en telde hij, na een geschenk gekocht te hebben, zijn spaarpot eens na. Een kleine vijfentwintig daalder ontbrak er nog aan; een schat nog.

Daar moest verandering in komen,

Er zou iets gebeuren — en er gebeurde iets.

Hanspeerke steunde tijdens zijn verhaal het voorhoofd met de linkerhand, en zag vóór zich op tafel.

Met onvaste stem zeide hij :

„Zeet, heerschap, det-ich zoo mit uch kalx) en, alles d'roet flats2) prónt wie et wurkelik gegangen is, det moog ich doon ómdet ich veur Oos-Leeven-Heer mien schuld höb goodgemaakt, en det mót ich doon, ómdet ich dan zeker bön dat geer3) mich oetstel gèèft. Det geljd veur den intres höb ich al bestèèjd, want Trüdje had et neudig. Noe loestert, en laot nemes dai et aangeit ooit wete waat ich uch zal opbiechte "

Na eene korte pause ging hij voort.

1) Praat.

2) Er uit gooi.

3) Gij.

Sluiten