Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ich wins dich ei zalig hoogtied"1), zeide hij met nadruk, waarop Hanspeerke het gebruikelijke

„„Dank uch, van-s-gelieke!"" liet volgen.

„Hanspeerke" — wenkte hem zijn schoonvader in spe, „gank ins mit op den din 3), jong."

„Woveur hais doe diene paosse neet gehalde?8) Det wil ich wete. 'et Gevèlt mich neet des-doe zoo altied angers spriks euver alle zakes es veer-luuj. _Ks-te dinks det ich mie kinjd aan eine vrie-massong" gèèf, dan höbs-te 't verkeerd.

„En die geljdkwestie wil ich ouch oet de veut4) höbbe. Köns-te mich binnen acht daag die hongerd daalder bringe, die ich veur uch zal beware, dan kóns-te trouwe wanneer des-te wils, mer angers moogt Hannes van Kotenhööfke 5) euver veerteen daag komrne vraogen om de partie" 6).

Met deze woorden keerde hij zich om en ging naar binnen.

Hanspeerke bleef een oogenblik staan, en keerde dan misnoegd het huis zijner geliefde den rug toe.

Geld leenen, dat zou hij beproeven, en eene volle biecht afleggen zoodra hij moed genoeg had verzameld.

Eenige dagen nadien bevond hij zich tegen den avond

1) Wensch op de hoogtijdsdagen: Paschen, Pinksteren. Allerheiligen, en Kerstmis.

2) Ga eens mee naar den deel.

-3) Pasehen- houden is het naderen tot het avondmaal, hetgeen voor elk Katholiek .omstreeks Paschen absoluut noodig is. Aan het avondmaal, de H. Communie, gaat de biecht vooraf.

4) Uit de voeten, voor afgedaan.

5) Koten — puin. Hööfke — kleine hoeve.

6) Vragen om nader kennismaking, met het oog op huwelijk.

Sluiten