Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het hoofd scheen grooter geworden, de neus zoo spits en de lippen zoo dun en bleek. Ze kon hare tranen niet weerhouden, ze voelde de warme droppels langs haar wangen rollen. Snikken mocht ze niet, want Frans zou er van wakker kunnen worden. Haar keel was als toegeschroefd. Hoe lang zou die toestand nog duren? De dokter gaf geen hoop op herstel. Bij ieder onderzoek vond hij dat de ziekte zich uitgebreid had. Het ging verbazend snel. En Frans was zoo geduldig. Zijn eenige klacht was: „Ik ben zoo moe." Eens dat hij weer een heftige hoestbui gehad had, zeide hij met een lachje tegen tante Lisa, die hem ondersteunde:

„Ik moet altijd denken aan het turfschip van Breda, waarvan u mij verteld hebt, tante."

Op eens slaakte Frans een zucht, sloeg de oogen op en zag tante Lisa schreien.

„Waarom bent u bedroefd, tante?" vroeg hij deelnemend.

„Ik heb zoo'n hoofdpijn," antwoordde ze snel, haar tranen afwisschend.

„Arme tante. Ik heb a 1 t ij d hoofdpijn, altijd. En al zoo lang, zoo vreeselijk lang. Zeker al een jaar."

„Waarom heb je daar nooit iets van gezegd, Frans ?"

„Ik heb het wel eens aan mama gezegd, en die heeft gezegd, dat het kwam omdat ik zoo dom ben."

De jonge vrouw maakte in haar hart haar schoonzuster de bitterste verwijten.

„Wat zal ik dom zijn, als ik weer naar school ga, tante. Ik vind het heerlijk, dat ik nu niet naar school

hoef ik wil tuinman worden, of suikerbakker, of

hoefsmid misschien . .. ."

Sluiten