Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Men besefte het nu, hoe men de laatste jaren op een vulkaan gezeten had, en niemand dacht meer aan Prim en Leopold van Hohenzollern.

Was onze Regeering dan volstrekt niet gewaarschuwd; ons legerbestuur geheel onkundig .van den jammerlijken toestand van ons defensiewezen?

De oorlog van '66 had ons Gouvernement toch uit zijne lethargie moeten doen ontwaken; de uiterst netelige Luxemburgsche quaestie had duidelijk gewezen op het gevaar voor ons, in internationale verwikkelingen te worden betrokken. En dat wij volstrekt onbekwaam waren om ons te verdedigen, was evenmin een diep geheim; Hanover met Langensalza gaf als met den vinger aan den wand te lezen, wat ook o n s te wachten stond; mannen als Stieltjes en de Roo hadden onbewimpeld op den onmogelijken toestand gewezen.

Krasser dan b. v. Stieltjes, het kundig Kamerlid, nog in 1869 zich uitliet, — dat is één jaar voordat de minste complicatie ons in den strijd had kunnen mengen en aan ons volksbestaan een eind zou hebben gemaakt, krasser kan het welhaast niet:

„Van 1839 tot 1866 (nota bene ruim eene kwart-eeuw) is er weinig of niets gedaan om aan ons leger die inrichting te geven, die meer bepaaldelijk door onzen staatkundigen, aardrijkskundigen en financiëelen toestand gevorderd wordt. Zelfs de meeste militaire schrijvers zien in ons leger slechts eene kopie in 't klein der vreemde groote legers, terwijl het juist eene geheel andere inrichting moest hebben. Sedert 1866 is men echter op den goeden weg: slooping van nuttelooze vestingen, versterking der infanterie, betere indeeling

Sluiten