Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een handbreed — 't waar genoeg geweest voor 't oog Nu hurkt ze neer, den starren blik omhoog.

En als een schaduw langs 't gordijn heen glijdt, Dan schokt zij op en spalkt haar oogen wijd,

Wijd open, gist en luistert aamloos toe,

Of geen geluid haar iets te weten doe.

Maar als het stil blijft, God! zoo pijnlijk stil, Dan zakt ze ineen weer, huiverig en kil.

Zoo wil ze wachten, wachten tot den dag,

Dat zij haar kleinen Rob bezoeken mag.

Daar rees een reuzenschim op langs 't gordijn,

En op haar armen lag een kinderschijn ....

Zij rilt uit de onmacht op en staaroogt bang.

Wat is met haar gebeurd? — o God, hoelang Was zij bewustloos ?.. . o! — wat dat beduidt: Het licht! — o God, o God! — het licht is uit! En doodende angst sluipt in het moederhart, En opgevlogen is ze in wilde smart;

Zij kan niet wachten langer niet o God!

Zij wil het weten, 't nog verborgen lot.

En luid door 't stille gasthuis klinkt de bel,

En weder klinkt ze, driftig, angstig-schel

„O daar is licht, goddank! — de boom gaat neer.... „Mijn Robken? — ach! hoe is het?" nokt ze zacht. En treurig luidt het — nauwlijks hoort zij 't meer: „Uw Robken, moeder, heeft het overbracht."

I.

'3

Sluiten